Je ziet deze tekst omdat de opmaak voor deze website niet is ingeladen. Dat kan een paar redenen hebben:

  1. Er is iets fout gegaan, de opmaak is bijvoorbeeld niet overgekomen. De opmaak voor deze site wordt in een apart bestand opgeslagen. Probeer de pagina te vernieuwen om het probleem op te lossen.
  2. De opmaak is uitgeschakeld in de browserinstellingen. Kijk bij de instellingen van je browser naar CSS of Cascading Style Sheets, of iets dergelijks.

Spring voorbij menu
Spring naar hoofdinhoud

Liefdevolle verwaarlozing


LEZING H. VERVEST JAARVERGADERING OUDERRAAD 29 OKTOBER 2003

THEMA: LIEFDEVOLLE VERWAARLOZING

Liefdevolle verwaarlozing is een voorbeeld van het algemene gegeven dat bepaalde intenties niet altijd leiden tot het gewenste resultaat. In de lezing zal de stelling verdedigd worden: En dat is maar goed ook!!! De verdediging loopt via de omweg van een analyse van de liefde ( met als contrast de verliefdheid). Zo wordt duidelijk gemaakt dat een betekenisvolle relatie tussen ouders en kinderen maar mogelijk is dankzij het risico dat de bedoelingen van de ouders niet worden waargemaakt.


Slechte ouders bestaan niet.
Preciezer geformuleerd: er bestaan geen ouders die slechte bedoelingen hebben met hun kinderen.
Toegegeven: er zijn gevallen bekend dat ouders wel degelijk iets kwaads in de zin hebben met hun kinderen.
Maar dat zijn pathologische gevallen, het gaat dan om mensen met ernstige persoonlijkheidsstoornissen, zo ernstig en uitzonderlijk dat ze aandacht krijgen van krant en televisie.
Hun gedrag is zo onbegrijpelijk en roept zoveel verontwaardiging op dat we dat uitspraak ‘Slechte ouders bestaan niet’ wel staande kunnen houden.

Ouders hebben de beste bedoelingen in de opvoeding van hun kinderen.
Dat neemt echter niet weg dat die bedoelingen kunnen worden doorkruist en vertroebeld door eigen ambities, te hooggespannen verwachtingen of tijdgebrek (en misschien komt dat heden ten dage vaker voor dan vroeger), hetgeen leidt tot compenserende opvoedingsstrategieën. (denk aan voorbeeld Oprah Winfrey. Zij wijdde een uitzending aan het thema: Kunnen kinderen moreel slecht geboren worden? Ze kreeg een moeder aan de lijn die de vraag bevestigend beantwoordde. Ze voegde eraan toe: Alles wat het kind van me heeft gevraagd heeft het ook onmiddellijk gekregen. Maar het mocht niet baten!).
Hier ligt het werkterrein van psychologen en pedagogen.
Dit is het domein van begeleidende therapieën en cursussen time-management.

Filosofisch interessanter is het gegeven dat goede bedoelingen niet noodzakelijkerwijs leiden tot goede resultaten.
Meer nog:
Alle bedoelingen die we hebben tijdens de opvoeding van kinderen zullen nooit volledig worden gerealiseerd.
En het uiteindelijke resultaat van de opvoeding hebben we nooit als zodanig bedoeld.

Ouders streven ernaar dat hun kinderen wat minder naar onnozele programma’s kijken op televisie, minder spelletjes spelen op de computer, minder msn-en en sms-en.
We willen graag dat ze wat meer en wat betere boeken lezen, dat ze trouwer hun huiswerk maken, wat serieuzer gespreksonderwerpen aandragen tijdens de maaltijd.
Welnu, iedereen herkent, zo vermoed ik, het gehannes en getob dat we hiermee hebben.

Maar hoe komt dat nu?
Hoe komt het dat onze beste bedoelingen niet worden gerealiseerd?

Een deel van de verklaring moet gezocht worden in het feit dat een groot deel van het opvoedingsresultaat via onbewuste beïnvloeding door de ouders tot stand is gekomen.
Een groot deel van de opvoeding gebeurt onbewust.
Ouders hebben grote invloed op hun kinderen, terwijl ze die invloed niet willens en wetens, niet bewust, niet bedoeld hebben.
(denk aan de cartoon: een vader neemt zijn zoontje over de knie om het een pak op de broek te geven. Hij doet dat en zegt ondertussen: ik zal je leren je zusje te slaan).

Een ander deel van de verklaring moet gezocht worden in het feit dat opvoeden niet alleen door de ouders gebeurt.
Naarmate kinderen ouder worden wordt ook hun sociale wereld groter.
Broers en zussen, vrienden, maar ook onderwijzers en leraren.
Tot op zekere hoogte hebben ouders geen controle over de invloed die deze grotere sociale wereld op kinderen heeft.
Volledige controle is niet alleen een praktische onmogelijkheid.
Er zijn ook morele grenzen aan de controlemogelijkheden van de ouders: is het geoorloofd dat ouders, al dan niet intieme, vriendschappen van kinderen verbieden?

In meer abstracte termen kunnen we de kwestie als volgt typeren:
Er is geen direct en noodzakelijk verband tussen intenties enerzijds en de resultaten van de handelingen op basis van die intenties anderzijds.
(Denk aan de moeder die zoon of dochter ’s morgens uitzwaait met de woorden: doe je alstublieft voorzichtig)

Sommige intenties worden zonder meer bewaarheid, andere daarentegen lijken geen enkel effect te hebben, weer andere leiden zelfs tot het tegenovergestelde resultaat.

De stelling die ik wil verdedigen luidt: En dat is maar goed ook!!!
Immers, een zinvolle relatie tussen mensen is maar mogelijk dankzij het risico dat de relatie ook zijn zinvolheid kan verliezen.
Concreet voor het onderwerp: een betekenisvolle relatie tussen ouders en kinderen is maar mogelijk dankzij het risico dat de bedoelingen van de ouders niet worden waargemaakt.

Voor deze stelling heb ik twee argumenten:

  1. Als de ouders de volledige controle zouden hebben over de effecten van hun handelen in de opvoeding dan is de eigenheid van het kind niet meer te denken.
  2. Als het kind het zuivere resultaat is van de bedoelingen van de ouders dan is het kind tevens de zuivere projectie van de levenservaringen van de ouders. Motivaties en intenties vinden immers hun voedingsbodem in de eigen concrete levenservaringen, inclusief onzekerheden, angsten, frustraties en teleurstellingen.

Om duidelijk te maken wat hiermee wordt bedoeld wil ik een omweg bewandelen.

Aan de hand van een fenomenologische analyse van de liefde en de verliefdheid wil ik laten zien dat dergelijke zinvolle ervaringen maar als zinvol ervaren kunnen worden dankzij het risico op zinverlies.

Waarom deze omweg?

  1. Deze omweg verschaft ons twee modellen waarmee we twee verschillende manieren van omgaan van ouders met kinderen kunnen typeren. Nu is verliefdheid misschien geen geschikte term om die relatie aan te duiden, maar deze kan zonder verlies van betekenis vervangen worden door bijvoorbeeld passionele liefde.
  2. Leerlingen op deze school variëren in leeftijd van 12 tot 18 jaar. Dit is ook de leeftijdscategorie van de eerste verliefdheden. Daar heeft u als ouders vaak ook heel wat mee te stellen. Mogelijk dat een analyse van de verliefdheid u enig begrip kan bijbrengen van wat er zich in de hoofden van de verliefden afspeelt.
  3. Hopelijk herkent u zichzelf in de analyse van de liefde. Sommigen kunnen het niet nalaten regelmatig de vraag te stellen: ‘Hou je nog van me?’ zonder een bevredigend antwoord te krijgen. Mogelijk dat vanavond het antwoord op een wel heel indirecte manier toch kan worden verkregen.
  4. Een omweg wordt vaak genomen omdat er onderweg van mooie uitzichten te genieten valt. Hopelijk is dat ook bij deze omweg het geval.

Het is gebruikelijk om twee stadia te onderscheiden in de aard van liefdevolle verhoudingen:

  1. de verliefdheid
  2. het ‘houden van’. Laat ik in het vervolg van dit verhaal voor dit ‘houden van’het begrip liefde gebruiken.

De verhouding tussen beide wordt vaak voorgesteld als een continuüm; de verliefdheid gaat langzaam over in ‘houden van’, in de liefde.
Maar de aard, het karakter, de kwaliteit blijft hetzelfde.
De liefde is dan een mildere, draaglijker, gematigder vorm van verliefdheid.
Als dat zo zou zijn, is het niet nodig om een strikt onderscheid tussen beide aan te brengen.
Ik maak het onderscheid juist wel, omdat ik meen dat het twee verschillende dingen zijn, twee verschillende bewustzijnsacten, twee verschillende ervaringen.
Het grondpatroon van de verliefdheid is een ander dan dat van de liefde.
Ik wil dit laten zien door te beschrijven wat het grondpatroon is van de concrete ervaring van de verliefdheid, respectievelijk de liefde.
Met andere woorden: wat is er eigenlijk aan de hand als we verliefd zijn, of als we van iemand houden.
Aan beide ervaringen wil ik dan ook afzonderlijk aandacht besteden.

Op wie worden we verliefd?
Op iemand die we nauwelijks kennen.
Om de een of andere reden trekt iemand mijn speciale aandacht.
Die ander houdt mijn blik gevangen, ondanks het feit dat ik slechts fragmentarische kennis heb van die ander.
(Ik val op die oogopslag, ik smelt bij die glimlach, ik sidder bij die charmante tred)
In de totstandkoming van de verliefdheid wordt die fragmentarische kennis benut om een totaalbeeld van die ander te vormen.
En dat beeld construeer ik zodanig dat het volledig beantwoordt aan mijn stoutste verwachtingen.
Kortom: in de verliefdheid idealiseer ik de ander.
Ik vorm een ideaalbeeld.
En het is dat ideaalbeeld waardoor ik gefascineerd ben, dat me in de ban houdt.
Ik ben dus niet verliefd op die concrete ander (met zijn tekortkomingen, eigenaardigheden, onhebbelijkheden en zwakheden), maar op een beeld dat ik van de ander gevormd heb.
En dat beeld is volmaakt, ideaal, absoluut.
Het vertoont geen enkele tekortkoming; alles wat die ander is en doet is goed.
Ik ben verliefd op een ideaalbeeld en denk / ben ervan overtuigd dat het die feitelijke ander is.
Het is een beeld dat mijn aandacht volledig opeist.
Ik verlies de belangstelling voor andere dingen en ben slechts geïnteresseerd in die ander, en de dingen die de ander interesseren.
(ik lees de boeken, waarvan ik denk dat de ander ze leest, bezoek dezelfde films, musea e.d.; ik richt mijn blik op die ander en de interessen van die ander, en vergeet mijn eigen postzegelverzameling en hockeyclub)
Als die ander er niet is, ziet de wereld er grijs, grauw en oninteressant uit.
Op het moment dat die ander in het gezichtsveld verschijnt, krijgt alles ineens weer zijn kleur en meer dan dat.
De ander is alles voor me.
De verliefdheid wil dat ik in de ogen van de ander ook alles ben.
En daarvoor ben ik bereid alles op te geven.
M.a.w. de ander veroorzaakt een verlangen, dat sterker is dan ikzelf en dat me de bekommernis om mezelf doet vergeten.
Ik heb immers alles voor de ander over.

In de verliefdheid schuilt de tendens om in het verlangen naar de ander tot het uiterste te gaan.
De ander is alles voor mij en ik verlang dat ik dat ook voor de ander ben of word.
Die fascinatie voor dat ideaalbeeld van de ander is slechts mogelijk omdat er een afstand is tot de ander.
Die afstand is nodig omdat het slechts dan mogelijk is mijn ideaalbeeld te houden voor de concrete ander.
Pas door die afstand kan de concrete ander restloos opgaan / verdwijnen in dat ideaalbeeld.
Noodzakelijke voorwaarde voor de verliefdheid is dus een afstand tot de feitelijke ander.
Tegelijkertijd verlangt de verliefdheid die afstand te overbruggen, d.w.z. verlangt vereniging met de ander.
Die vereniging, dat aspect van het verlangen in de verliefdheid, dreigt de noodzakelijke voorwaarde voor de verliefdheid (de afstand) en daardoor de verliefdheid zelf ongedaan te maken.
Maar natuurlijk wil ik niet dat de verliefdheid ongedaan wordt gemaakt;
Sterker nog: ik wil dat het gevoel alleen maar sterker / heftiger wordt.

De verliefdheid heeft dus een paradoxale verlangensstructuur:

  • ik verlang vereniging met de ander (het overbruggen van de afstand)
  • én: ik verlang naar de instandhouding van de verliefdheid, wat alleen mogelijk is door de afstand te bewaren.

Maar van dit paradoxale verlangen genieten we.
De verliefdheid als zodanig is echter niet te beantwoorden.
Want wat zijn de mogelijke antwoorden:

  • afstand bewaren, maar dat beantwoordt niet aan het verlangen naar vereniging
  • de vereniging, maar dat doet de noodzakelijke voorwaarde voor de verliefdheid, de afstand, teniet en dus de verliefdheid. En dat is ook niet wat ik wil.

Zo begrepen is de verliefdheid een ketening, een banvloek, een vorm van terreur;
Een volledig in beslag genomen worden door de ander, een verlangen dat sterker is dan ikzelf.
Maar het is een vorm van terreur die ervaren wordt als een vrijheid.
Nu is die vorming van en die fascinatie voor dat ideaalbeeld niet louter een activiteit van de individuele verbeelding.
Iets wordt pas ideaal als het in een traditie die betekenis krijgt.
Het betekenissysteem van de cultuur leert ons een ideaalbeeld te vormen.
In ons betekenissysteem zien we dan doorgaans bijvoorbeeld dat een man verliefd wordt op een vrouw die aan bepaalde kwalificaties voldoet:

  • 10/20 centimeter kleiner
  • 2 jaar jonger
  • iets minder opleiding
  • net iets lagere maatschappelijke positie
  • ongeveer even knap (liever iets knapper zodat hij het idee heeft werkelijk iets veroverd te hebben)
  • soortgelijke belangstelling, want je moet er wel mee kunnen praten
  • enzovoorts

M.a.w. in de verliefdheid is er ook altijd al een ‘derde’ in het spel, het betekenissysteem van onze cultuur.
We zagen dat de verliefdheid de tendens in zich bergt om tot het uiterste te gaan, om eventueel alles van jezelf opzij te zetten.
(denk in de ouder-kindrelatie bijvoorbeeld aan de zichzelf eindeloos wegcijferende en opofferende moeder)

Zo kan de verliefdheid zich keren tegen het leven zelf (we eten slecht, kunnen vaak wakker liggen, denkend aan die ander, dagdromen tijdens de lessen op school, het ongeconcentreerd maken van het huiswerk; en dat zijn nog de milde symptomen).
Deze tendens kan alleen ongedaan worden gemaakt door een symbolische tegenbeweging.
Deze moet dan de onverbiddelijke tirannie van het ideaalbeeld breken.

Concreet kan dat zijn:

  • een foto van de ander bij je dragen
  • dingen koesteren die van de ander zijn
  • of die door de ander zijn aangeraakt
  • je woorden, gebaren, situaties voor de geest halen
  • in gedachten met de ander praten.
  • En om bij de tijd te blijven: regelmatig sms’en

Het valt niet in te zien hoe deze gedragingen in hun letterlijke betekenis kunnen helpen, maar ze hebben dan ook een symbolische betekenis.

En die laatste kan de zelfverloochenende tendens doen stilhouden.
Dit kan tevens de aanvaarding betekenen van de eigen onvolmaaktheid, zodat men in het alles willen zijn voor de ander niet tot het uiterste gaat.

Nu kan de verliefdheid, ondanks mezelf, verdwijnen en uitdoven.
De fascinatie voor het ideaalbeeld kan verdwijnen, zonder dat ik dat wil; ik heb daar uiteindelijk geen zeggenschap over.
De aanwezigheid van de verliefdheid heb ik zelf niet in de hand.

Er is in ieder geval één manier waarop ze zeker verdwijnt: op het moment dat het ideaalbeeld niet meer gelijk is aan de concrete ander.
Die gelijkstelling wordt verbroken als de ander in zijn concreetheid verschijnt.
De concreetheid van de ander, en dus ook de onvolmaaktheid van de ander, verdringt dan het ideaalbeeld.
En dat gebeurt in het directe contact, en dan vooral in het lichamelijk contact.
Dan pas verschijnt de ander als ander en verdwijnt de fascinatie voor het ideaalbeeld, en dus de verliefdheid.
Dan pas kan ik ook de tekortkomingen van de ander zien.
Dan pas zie ik:

  • die rare manier van lopen
  • dat eigenaardige pukkeltje
  • dan pas hoor ik dat hij zijn koffie opslurpt
  • dan pas merk ik de vervelende eigenschappen van de ander

Daarvoor waren die dingen er wel maar ze verdwenen restloos in dat ideaalbeeld, dat volmaakt was.
De concreetheid, de lichamelijkheid van de ander spreekt de volmaaktheid van dat ideaalbeeld tegen.
Met als gevolg dat de verliefdheid onherroepelijk verdwijnt, ook al is dat precies hetgeen wat ik niet wil.
Ik wil de verliefdheid bewaren: ik wil alles voor de ander zijn, omdat de ander ook alles voor mij is.
M.a.w. iedere verliefdheid draagt de vraag in zich van volledige overgave, de vraag naar een onvoorwaardelijke betekenis.
In de verliefdheid wil men alles doen om de liefde van de ander te winnen.
Maar tegelijkertijd wil ik niet, dat de ander zich aan mij overgeeft, omdat ik dat wil.
Ik wil in de ander iets teweegbrengen dat onafhankelijk is van het feit dat ik dat wil.
Dat betekent dat ik de ander daarin vrij moet laten, met het risico dat mijn verwachtingen niet beantwoord worden.
Dit kun je de transcendentie van de ander noemen.

Als de ander letterlijk zou zeggen en menen dat hij altijd, hoe dan ook, er voor mij zal zijn, wat ik ook doe, dan heeft de ander niets meer voor mij te betekenen.
Het is geen enkel probleem om 1 of 2 dingen te noemen, die ik maar beter niet kan doen, want daarmee zet ik de relatie op het spel.

Maar tegelijk: Als die overgave niet meer verloren kan gaan, dan verliest de verhouding iedere zin.
Zo gezien is de verliefdheid de eindige fascinatie voor het ideaalbeeld van de ander en een paradoxaal verlangen met een tendens tot zelfverloochening.

Maar hoe zit dat dan met de liefde / de situatie die we karakteriseren met ‘houden van’?
We hebben gezien dat de verliefdheid verloren gaat, ook al willen we dat niet, op het moment dat de concrete ander als ander verschijnt.
De lichamelijke aanwezigheid doorbreekt het volmaakte beeld dat wij van de ander hebben.
Mogelijk ontstaat dan een verlangen naar die concrete ander, naar diegene waarvan ik niet weet of die aan mijn ideaalbeeld beantwoordt.
Maar dat betekent tevens dat we de ander kunnen ontmoeten op een manier, die niet beantwoordt aan mijn verwachtingen, op een manier, die niet tegemoet komt aan het beeld dat ik van de ander heb.
We kunnen de ander tegenkomen als ander, d.w.z. onafhankelijk van het beeld dat ik van de ander heb.
Ik kan dan de ander aantreffen ook als hij ophoudt iemand te zijn waarnaar ik verlang.
M.a.w. ik loop dan het risico de ander tegen te komen, zoals ik niet wil dat de ander is / zoals ik niet weet dat de ander ook is.
Het houden van de ander draagt dus het risico in zich dat we de ander aantreffen op een manier, waarop we eigenlijk niet willen dat de ander er is.
Anders gezegd: het houden van de ander betekent het kunnen verdragen van de ander als ander.
En we weten van tevoren niet of we dat kunnen, hoe lang we dat kunnen, en in welke mate we dat kunnen.

De liefde als een betrokkenheid op de ander als ander, waarvan we niet weten of we dat kunnen verdragen, is dus geen voortdurende verrijking.
De ander als ander is niet mijn complement, de voortdurende aanvulling van mezelf.
Het houden van de ander is niet een voortdurende bron van rijkdom of een bron van inspiratie.
Voor zover de ander dat is, voldoet de ander volledig aan mijn beeld.
Maar het gaat dan niet om een bekommernis om de ander, om een verhouding tot de ander als ander, maar om een bekommernis om mezelf.
De ander opvatten als louter een bron van rijkdom is geen ‘houden van de ander’ maar louter zelfliefde, omdat het zich alleen concentreert op wat de ander voor míj kan betekenen.

Het ‘houden van’ als een betrokkenheid op de ander als ander impliceert het risico dat de ander er niet voor mij is.
Dat de ander er is, zoals ik niet wil dat de ander er is.
En dat kunnen verdragen dat maakt juist de liefde / het ‘houden van’ uit.
De liefde is zo een innige verstrengeling van twee aspecten:

  • het verlangen naar de nabijheid van de ander
  • en tegelijk de kans de ander tegen te komen op een manier waarop hij ophoudt iemand te zijn waarnaar ik verlang.

Geen fascinatie meer voor een ideaalbeeld, zoals in de verliefdheid, maar de mogelijke andersheid van de ander, en tevens ook de mogelijkheid op een kortstondige vertedering door een detail.
Een detail van de ander kan me raken, ontroeren, vertederen.
Het gaat daarbij niet om een grootse prestatie van een ander, of een sublieme eigenschap, nee, het gaat hier om een onbeduidend detail.
U ziet de ander koffie inschenken en u denkt, ontroerd: ‘Ach, de lieve schat!’
Maar het is een kortstondige vertedering, want als hij dan alweer op het tafelkleed morst, is die vertedering plotseling verdwenen.
M.a.w. in de verliefdheid wordt het detail gebruikt om een ideaalbeeld te construeren, waarachter alle tekortkomingen verdwijnen.

In de liefde blijft het detail slechts een detail, met de mogelijkheid tot een kortstondige vertedering, maar ook met het risico van een brute verstoring door de ander als ander.

Geen voortdurende fascinatie, de ander niet als louter bron van rijkdom, maar het kunnen verdragen van de ander als ander, de kortstondige vertedering, maar ook als keerzijde de onverschilligheid.
D.w.z. het moment waarop de ander me niets doet, het moment waarop de ander naast me zit / ligt en niets in me beroert, niets in me teweeg brengt.

Zoals de verliefdheid de vraag in zich bergt van de overgave van de ander, zo draagt de liefde de vraag in zich van het bemind-worden.
De liefde is geen liefde-om-niet.
Ook in de liefde wil men een tegenbeweging / een reactie van de ander oproepen.
Niet een reactie, omdat ik er om vraag, maar een reactie die de oorsprong vindt in de ander zelf.
Als de ander zegt ‘Ik hou van jou’ moet dat niet slechts een antwoord zijn op mijn vraag.
Het is onvoldoende als het gezegd wordt, omdat ik er om vraag.

Sterker nog: de vraag ‘Hou je nog van me?’ is niet definitief te beantwoorden.
Het meest vergaande antwoord is ‘Ik hou van jou’.
Maar dan kan ik nog steeds twijfelen aan dat antwoord:

  • zegt de ander dat nu om mij een plezier te doen?
  • Wil die ander eindelijk van mijn gezeur af zijn?
  • Of is het werkelijk zo dat de ander van me houdt?

De twijfel is mogelijk omdat we geen directe toegang hebben tot de gedachten en gevoelens van de ander.
Het antwoord ‘Ik hou van jou’ neem ik pas voor waar aan als ik al het vertrouwen heb, dat de ander van me houdt.
M.a.w. het antwoord op de vraag ‘Hou je nog van me?’ is me al bekend voordat ik de vraag stel.
Maar waarom stel ik de vraag dan nog?
Niet om de letterlijke betekenis ervan (want die weet ik al), maar om een symbolische betekenis.
Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat het niet prettig is om het te horen of om het zelf te kunnen zeggen.

De reactie ‘Ik hou van jou’ dient gezegd te worden, omdat de ander zelf het wil zeggen.
Als men in de liefde iets geeft, hoopt men op een reactie van de ander, vanuit zichzelf, waarvan we dan kunnen genieten.
Het geven zelf is een betekenisvol gebaar, maar het bevat ook altijd al de vraag om een reactie.
Als ik met een bos bloemen aankom of een ander cadeau, dan ervaar ik dat zelf als een zinvol gebaar, maar tevens verwacht ik een reactie van de ander.
Ik hoop op een reactie van blijdschap, vreugde of dankbaarheid.
En van die reactie kan ik op mijn beurt weer genieten.
Van die reactie kan men echter slechts genieten als het ook mogelijk is dat de ander niet reageert, niet dankbaar is, mijn gebaar afwijst.
Daarom ook is het geven van een cadeaubon zo weinig bevredigend.
Omdat het risico op afwijzing zo minimaal is.
De enige teleurstellende reactie kan het bedrag van de cadeaubon betreffen.
Het aanstaande bruidspaar dat de cadeaus heeft geregeld met behulp van een cadeauboekje loopt geen enkel risico, heeft alles onder controle, maar kan op die manier ook niet meer verrast worden.
Er rest enkel nog het opmaken van de balans en de constatering wat ze nu zelf nog moeten aanschaffen.

De mate waarin we kunnen genieten van een reactie is dus afhankelijk van de mate waarin we het risico lopen op een afwijzing, een negatieve reactie.
Dit verwijst naar de liefde als het kunnen verdragen van de ander als ander.
Het kunnen verdragen van dat risico is een intrinsieke eigenschap van de relatie die we karakteriseren als ‘houden van’.

Als andere intrinsieke eigenschap hebben we de kortstondige vertedering door een detail gezien, met als keerzijde de mogelijke onverschilligheid.

Het betekenissysteem van de cultuur heeft aan ‘het hebben van een relatie’, aan het ‘houden van’, aan de liefde een positieve waardering toegekend.
Ook hier zien we dan ook weer de derde die in het spel is.
Het ‘hebben van een relatie’ als zodanig wordt dan positief gewaardeerd, tamelijk onafhankelijk van de mogelijke kwaliteiten van de verhouding.
Daarom ook kan een echtpaar het 25-jarig huwelijksjubileum zeer uitbundig, vrolijk en blijmoedig vieren.
Niet aan de orde is op dat moment hoe die 25 jaar zijn verlopen.
Het vieren van dat feest is tamelijk onafhankelijk van de kwaliteit van de verhouding tot dan toe.

Welnu, verliefdheid en liefde zijn buitengewoon kwetsbare emotionele investeringen.
De meeste verliefdheden lopen op niets uit en hebben al vele tranen opgeleverd.
Vele liefdesrelaties lopen op de klippen en hebben vele levens danig verstoord.

Een belangrijke oorzaak moet gezocht worden in de transcendentie van de ander.
Transcendentie in de zin dat we geen zeggenschap hebben over de manier waarop de ander reageert.
Doorgaans, bijvoorbeeld in een religieuze of metafysische context, verwijst transcendentie naar een onuitputtelijke rijkdom die zich aan de menselijke controle onttrekt.
Transcendent betekent in dit verband dat ik de ander mij ontsnapt en dat ik er geen volledige controle over kan hebben zonder het persoonlijke karakter van het individu teniet te doen.
Die ander overstijgt mijn beheersing en controle.
Dat betekent tevens dat transcendentie verwijst naar de mogelijkheid dat de zinvolle ervaring kan omslaan in een ontluistering.
Zin is maar mogelijk door het risico op zinverlies.
We kunnen ons dan vertwijfeld afvragen:
Hoe heb ik ooit van die ander kunnen houden?
Ook liefdevolle relaties kunnen maar als waardevol worden ervaren door het risico op zinverlies.
De verliefdheid wordt mogelijk niet beantwoord.
De andersheid van de ander is mogelijk niet meer te verdragen.
Die transcendentie is echter constitutief voor de zinvolheid van een relatie.
Ofwel: het risico op afwijzing is mede de oorzaak voor het waardevolle karakter van een persoonlijke relatie.

Alles van waarde is weerloos, dichtregel van Lucebert, prijkt in neonletters, cynisch genoeg, in Rotterdam op het dak van een kantoor van een verzekeringsmaatschappij.

De relatie tussen ouders en kinderen is, gelukkig maar, heel wat minder kwetsbaar.
Die relatie wordt immers mede geschraagd door de symbolische betekenis van de bloedverwantschap, door een afhankelijkheidsverhouding en een machts- of liever gezagspositie.
Dat neemt echter niet weg dat ook in de ouder-kindrelatie de transcendentie van de ander een belangrijke rol speelt.

In de liefdevolle opvoedingsrelatie zullen ouders ook geconfronteerd worden met de onhebbelijkheden van een kind, de tekortkomingen, de zwakheden, mogelijk zelfs als resultaat van de eigen opvoedingsinspanningen.
Ofwel: die eigenschappen waarvan ik niet wil dat ze er zijn, die eigenschappen die niet passen in het beeld dat ik van de ander heb.
Op grond van die eigenschappen zijn er al vele kinderen achter het behang beland.
De taak waar de ouders voor staan is het uithouden van die andersheid van de ander.
Van liefdevolle verwaarlozing is dan geen sprake, omdat verwaarlozing impliceert dat er geen aandacht is voor de schadelijke effecten van ons handelen, ondanks de goede bedoelingen.

We mogen niet zo hoogmoedig zijn te denken dat wij, in tegenstelling tot vele anderen, alleen maar weldadige effecten sorteren met onze opvoedingsstrategie.
Ook wij doen iets verkeerd, alleen tevoren is niet te voorspellen wat.

In de gepassioneerde opvoedingsrelatie (eerder hebben we dat verliefdheid genoemd) wordt echter het zicht op de concreetheid van de ander ontnomen door de fascinatie voor een ideale voorstelling van het kind.
En dus ook wordt het zicht ontnomen op de schadelijke effecten van ons handelen.
Daarbij gaat het om ouders die geen kritiek op hun kind kunnen verdragen, die er geen kwaad woord over willen horen, die niet kunnen accepteren dat ook hun kind tekortkomingen vertoont.
Immers, het enige beeld dat hen fascineert, is het ideaalbeeld van hun kind en dat vertoont geen tekortkomingen.
Ofwel, het is zeer wel denkbaar dat de opvoedingsstrategie van de ouders beschadigende effecten heeft op het kind, zonder dat de ouders hier ook maar enig oog voor hebben, omdat ze blijven vasthouden aan het ideaalbeeld.
In dit geval is er sprake van liefdevolle verwaarlozing.

Ook u heeft wel eens van de uitdrukking gehoord: Liefde maakt blind.
Als we het voorafgaande verhaal toepassen op deze uitdrukking, dan moet deze wel genuanceerd worden.
Liefde maakt niet blind.
Liefde beoefen je met open ogen, waarbij je onherroepelijk geconfronteerd zult worden met de andersheid van de ander.
Verliefdheid, of passionele liefde, maakt blind, omdat daar het zicht op de concrete ander wordt ontnomen door de fascinatie voor het ideaalbeeld.

Welnu, we hebben minder invloed op de effecten van onze opvoeding, en dat is maar goed ook, maar we hebben tevens veel meer invloed dan we geneigd zijn te denken.

Harrie Vervest,
Docent filosofie.

Icom
seperator
Roosterwijzigingen
Schoolgids
Fotoalbums
Voor groep 8
In de media
seperator
TeletopCijferwebTeletop
Webmail

Zoeken in de website